klein 3. Wat je geeft krijg je terug

Handleiding Groep 1 Les 3

Wat vind je leuk om te zien?

Thema 3

Wat je geeft krijg je terug

In deze les wordt kennisgemaakt met de eerste twee basisemoties: blij en verdrietig. Zoals u in de inleidende tekst op de website heeft kunnen lezen vormt bewustwording over het voelen, en later het willen en doen, de kern van dit lesprogramma. Mocht u nog even willen nalezen, dan kan dit op de website: kiest u voor Leerkracht en dan uw groep. Dan ziet u links deze inleidende tekst.

Benodigdheden:

Beeldmateriaal 1.3, Actieboekje 1.3, Stickervellen, Handleiding 'Bodyscan'.

Blijdschap

A. Inleiding: kringgesprek                                     15 minuten. 

  • Geef aan dat deze les gaat over gevoel. Voelen is net zo belangrijk als denken. Soms voel je je blij, soms voel je je verdrietig. Ook als je naar dingen op televisie kijkt, of als je achter de computer zit of naar je tablet of telefoon kijkt.
  • Stel de kinderen dan ter inleiding de volgende vragen:
    • Wanneer voel jij je wel eens blij of verdrietig? Waarom?
    • Als je blij of verdrietig bent, waar voel je dat dan in je lichaam?
  • Teken daarna op het bord de smileys die bij ‘blij’ J en ‘verdrietig’ L

B. Bodyscan                                                          5 minuten.

  • Zeg in uw eigen woorden het volgende aan de kinderen: ‘We gaan nu even niet nadenken maar voelen, want voelen is net zo belangrijk als nadenken. Om goed te kunnen voelen, doen we allemaal even onze ogen dicht. We gaan één minuut stil zijn en even lekker rustig zitten.’  Doe nu met de kinderen de Bodyscan.
  • De Bodyscan is een begeleide denk-pauze, waarin de leerkracht de leerlingen in 1 minuut stilte zegt waar zij hun aandacht op moeten vestigen. Het leert kinderen zich naar binnen te richten en zich bewust te worden van hun eigen emoties. Zie voor de tekst van de Bodyscan het document Bodyscan op de website onder ‘Benodigdheden’.
  • Stel na afloop de volgende vragen:
    • Wat voelde jij? Voelde jij je bijvoorbeeld blij of verdrietig, of iets anders?
    • Waar in je lichaam voelde jij dat gevoel? (kinderen kunnen dit vaak goed zelf aanwijzen)

C. Spel 'blij of verdrietig'                                      10 minuten.

  • Deel de stickervellen uit en deel Actieboekje 1.3 uit. In de binnenkant van Actieboekje 1.3 staan 2 smileys: op de linkerkant een blije smiley, op de rechterkant een verdrietige smiley. U knipt of snijdt de vellen in tweeën zodat elk kind 1 blije en 1 verdrietige smiley op een velletje heeft. Vraag de klas welke smiley hoort bij ‘blij’. Deze smiley houden de kinderen omhoog. Doe hetzelfde voor verdrietig en schat op deze manier in of ieder kind het goed begrijpt.

binnenkant

  • Laat de kinderen kijken naar de beelden uit de media die horen bij les 1.3. Dit zijn beelden die een beroep doen op ‘blije’ en ‘verdrietige’ gevoelens. Laat hen met de smileys (Actieboekje 1.3) aangeven of ze blij of verdrietig worden van de beelden. Alles is goed. Het kan zijn dat hetzelfde beeld verschillende gevoelens oproept. Dat is geen probleem. Laat de kinderen uitleggen waarom zij dat voelen.
  • Vraag na elk voorbeeld een kind het gevoel toe te lichten, door te vragen:
    • Waarom vind je dit leuk/niet leuk?
    • Waar in je lichaam voelde je dit? ? Laat de kinderen de sticker van hun eigen keuze (blij of verdrietig) plakken op de plek in hun lichaam waar ze dit gevoel krijgen. Dit kan elk deel zijn tussen de kruin en de tenen!
  • Sluit de les af.