klein 1. Weet wat je ziet

Handleiding Groep 2 Les 1

Wat klopt wel en wat klopt niet?

Thema 1

Weet wat je ziet

Om mediabeelden goed op hun betrouwbaarheid te kunnen beoordelen is het belangrijk onderscheid te maken tussen feit en fictie. Deze les gaat over het herkennen van onwaarheden of onmogelijkheden in een afbeelding.

Benodigdheden:

Beeldmateriaal 2.1

2.1

A. Inleiding: voorbeeld                                               5 minuten.

 

  • Vertelt u aan de klas dat deze les gaat over plaatjes die niet waar kunnen zijn: dat kun je namelijk zelf zien! Laat de eerste twee afbeeldingen zien van Beeldmateriaal 2.1. De één klopt, maar in de andere afbeelding klopt er iets niet. Een beer leeft in het bos (1), maar kan niet lezen of lesgeven (2)!

     

B. Spel 'wat klopt wel, wat klopt niet?'                   15 minuten.

  • Nu mogen ze zelf gaan bepalen waar de fout zit. Laat desnoods steeds een kind uit de kring opstaan en aanwijzen waar hij of zij denkt dat er iets niet klopt in de afbeelding. Geef de klas steeds even rustig de tijd om goed naar de verschillende afbeeldingen in Beeldmateriaal 2.1 te kijken. Wijs het verschil aan tussen de 2 afbeeldingen. Vraag welke plaatjes kloppen. Laat de kinderen nadenken; vaak zal het een vrolijke boel worden om te raden (en te zeggen) wat wel en niet klopt! In totaal zijn er 7 (inclusief uw inleiding) afbeeldingen.
  • U kunt bij de afbeeldingen de volgende vragen stellen:
    • Welk plaatje klopt er niet?
    • Waarom niet? Wijs het maar aan.
    • Heeft iedereen gezien waarom de plaatjes niet waar kunnen zijn?
  • Overleg vervolgens of de klas het er mee eens is. Heeft iemand een andere fout ontdekt? Waarom? Controleer het antwoord en ga door met de volgende afbeeldingen.
  • Sluit de les af.