klein 2. Bewaak je identiteit

Handleiding Groep 4

Wat is vriendschap, online en offline?

Thema 2

Bewaak je identiteit

Brief bezorgen in boomhut

In de klas wordt het thema ‘vriendschap’ besproken. Het is belangrijk om te weten wie je (als jouw vriend) kunt vertrouwen en in welke cirkel je welke gegevens wil delen.

Benodigdheden:

Actieboekje 4.2

A. Inleiding: groepsgesprek                                     15 minuten.

  • Vandaag hebben we het over vriendschap. Laat de leerlingen eens bedenken wie ze hun vrienden noemen en waarom. Bespreek klassikaal een aantal vragen over vriendschap:
    • Wanneer noem je iemand je vriend? Waarom?
    • Wat waardeer je aan vrienden? Wat betekent ‘vriendschap’ voor jou?
    • Is er een verschil tussen vrienden die je alleen op het internet spreekt en vrienden die je in het echt ziet?

B. Denk-pauze                                                          15 minuten.

  • Laat de leerlingen een Denk-pauze nemen; vertel eerst dat vriendschap gaat over voelen. Je voelt vaak of iemand je vriend is, of juist niet. Daarom gaan we het denken even uitzetten.
  • ‘We gaan nu even niet nadenken, maar voelen, want voelen is net zo belangrijk als nadenken. Om goed te kunnen voelen, doen we allemaal even onze ogen dicht. We gaan één minuut stil zijn en even onze aandacht richten op onszelf.’
  • Sluit allemaal jullie ogen en denk voor een minuutje aan jouw beste vriend of vriendin.
  • Stel de klas vervolgens de volgende vragen:
    • Wat voel je als je aan je beste vriend of vriendin denkt en waar voel je dat?
    • Welk compliment zou je hem of haar willen geven?
    • Waarom is vriendschap voor jou belangrijk?
    • Wat kun jij doen om vrienden te hebben en te houden?

C. Grenzenspel                                                          15 minuten.

  • Bespreek ter inleiding in de klas:
    • Kunnen mensen die je online leert kennen echte vrienden zijn?
    • Wanneer is iemand een echte vriend of vriendin?
    • Nodig je ze uit op je verjaardagspartijtje?
  • De leerlingen vullen nu het grenzenspel in. Dit spel staat beschreven in Actieboekje 4.2: in het midden ‘ik’, in de cirkels daar omheen komen de anderen.  In het actieboekje staan allerlei categorieën die zij in de verschillende cirkels, dicht bij henzelf of iets verder van hun af kunnen plaatsen. Wie staat het dichtst bij jou? En wie het meest ver?binnenkant
  • De kinderen komen aan de hand van uw vragen op dillema’s zoals: wie rekenen zij als ‘beste vriend’? Is dat een klasgenootje die ze dit schooljaar hebben leren kennen, of een buurmeisje met wie ze al jaren spelen? Waar zouden de kinderen hun vrienden in de cirkel zetten, dichtbij (meer vriendschap) of wat verder af (minder vriendschappelijk).
  • Bespreek de resultaten en laat een aantal kinderen hun cirkels presenteren.

 

  • Sluit de les af.